Achtergrond

Alleen sterk samenspel van regio’s, sectoren en Rijk helpt mensen snel naar ander werk

Door Ton Wilthagen, hoogleraar arbeidsmarkt, Universiteit van Tilburg

De noodmaatregelen die het kabinet tot nu treft om de coronacrisis te bestrijden zijn huzarenstukjes, ook als het om de arbeidsmarkt gaat. Maar het financieren van het behoud van bestaande banen is een stuk eenvoudiger dan de uitdaging waar we de komende tijd voor staan. Namelijk het ondersteunen van mensen naar een andere of nieuwe baan, na verlies van werk. Hierbij is het cruciaal dat de nodige maatregelen tijdig worden ingezet en ook werkelijk effect wordt bereikt.

Maatregelen die te laat komen hebben uiteraard weinig effect. Wat dat betreft zijn de ervaringen met de sectorplannen uit de vorige crisis een waarschuwing. In de evaluatie van deze plannen merkte SEO Economisch Onderzoek fijntjes op dat er grote vertraging was opgetreden in de uitvoering van plannen, waardoor veel maatregelen pas na afloop van de crisis zijn uitgevoerd. Daardoor hadden ze per definitie geen rol in het overbruggen van de crisis en waren ze minder effectief in het bereiken van de doelstellingen van de sectorplannen. In deze evaluatie werd ook geadviseerd om bij een volgende crisis al vóór de grote stijging van de werkloosheid een regeling als die van de sectorplannen in te voeren. Bovendien zouden de verschillende sectoren en de verschillende regio’s in Nederland eerder de mogelijkheid moeten krijgen om na te denken over de knelpunten op hun specifieke deel van de arbeidsmarkt. Zodat zij ook eerder kunnen meedenken over de mogelijke maatregelen en de bijbehorende financieringsbron.

‘Laten we in Nederland zorgen dat er in korte tijd verschillende ‘werkhubs’ ontstaan’

Het effectief faciliteren van de overstap naar ander en nieuw werk kan de rijksoverheid niet alleen. Sectoren en regio’s zullen ook een hoofdrol moeten spelen en doen dat ook al. Middelen en voorzieningen om die overstap te bespoedigen, moeten zo snel mogelijk aan elkaar worden gekoppeld zodat een vorm van ketenmanagement ontstaat. Nederland kent een enorme dichtheid van betrokken organisaties. Dat maakt samenwerking tegelijk ook razend ingewikkeld. En er bestaat ook impliciet een soort non-interventiepact: samenwerken met andere organisaties is goed, maar dat mag niet ten koste gaan van de structuren en positie van de eigen organisatie.

De prangende vraag luidt dan wat de optimale rolverdeling is tussen de betrokken partijen, nu er in Nederland geen standaard infrastuur bestaat om van werk naar werk te gaan en algemeen beleid voor scholingsvoorzieningen voor iedereen ontbreekt. Dit is de achilleshiel van de verdere crisisaanpak, zo blijkt ook uit recente adviezen van de Denktank Coronacrisis van de Sociaal-Economische Raad en uit een waarschuwing van wethouders van de vier grote steden (G4) in NRC.

Overheid als aanjager

De rijksoverheid heeft om te beginnen een systeemverantwoordelijkheid. Dat ligt vast in de Grondwet. Zij moet voor voldoende werkgelegenheid zorgen. De overheid kan niet zomaar zelf banen creëren, maar kan dat wel faciliteren en als aanjager fungeren. De rijksoverheid beschikt ook over de meeste middelen, maar die moeten dan wel daarvoor voorhanden zijn. In het politieke debat wordt er nu terecht op gewezen dat het door het kabinet voorgestelde bedrag van €50 mln voor scholing naar ander werk, veel te weinig is. De rijksoverheid kan ook andere fouten maken, zo weten we uit ervaring met de sectorplannen bij de vorige crisis. De rijksoverheid kan bijvoorbeeld te veel bureaucratie veroorzaken, te weinig vertrouwen uitstralen, of te eenzijdig alleen nieuwe plannen van de regio’s steunen, wat onverstandig is. Ook moet de overheid waken voor verkokering. Zij moet niet steeds verschillende doelgroepregelingen aanbieden, terwijl sectoren en regio’s juist baat hebben bij ontschotting en lumpsumfinanciering. De rijksoverheid kan essentiële regelingen naar voren halen. Denk aan het Stap-budget (Stimulans Arbeidsmarktpositie), waarbij werkenden en niet-werkenden een persoonlijk ontwikkelbudget krijgen. De invoering hiervan staat nu nog voor 2022 gepland.

Sectoren participeren

De landelijk georganiseerde sectoren, dus werkgevers en vakbonden met hun scholingsfondsen, hebben uitgebreide ervaring en kennis in het scholen van mensen en het omgaan met reorganisaties. Zij kunnen in deze crisis ook een bijdrage leveren aan de overstap naar nieuw werk buiten de eigen sector, als dat aan de orde is. Daartoe moeten zij hun menskracht en middelen inzetten voor nauwe samenwerking met de (arbeidsmarkt)regio’s. Er zijn goede voorbeelden van zo’n samenspel, zoals de Techniekcoalitie Limburg en Leve(n)lang Gelders Vakmanschap. Soortgelijke initiatieven staan op stapel in het kader van het programma Perspectief op Werk, of online zoals bij Brabantleert.nl. De regio’s staan het dichtste bij individuele mensen en bedrijven. Zij kennen vaak meerdere sectoren en hebben een enorm belang om alle mensen aan het werk te houden. Toch zijn arbeidsmarktregio’s nog steeds een soort ecosystemen zonder formele status, met te weinig bevoegdheden en op verschillende wijzen georganiseerd.

Regio als regisseur

Niettemin zou het voor de hand liggen om juist de infrastructuur van de regio’s – compleet met leerwerkloketten, werkgeversservicepunten en onderwijsinstellingen – als uitgangspunt te nemen voor de overstap naar ander werk, en deze te versterken vanuit de rijksoverheid en de sectoren. Zo kan in korte tijd een ‘werkhub’ ontstaan. Ook uitkeringsinstantie UWV heeft regionaal een cruciale functie, maar moet daartoe dan wel landelijk de ruimte krijgen. En vanzelfsprekend kunnen private partijen ook hun rol pakken. Met de crisis is er geen tijd te verliezen. Het adagium is: Rijk faciliteer, sectoren participeer en regio’s regisseer.